Tour de France Randonneur 2010

Statistieken - Rittenoverzicht - Foto's 1 - Foto's 2 - Foto's 3

Exact 1 jaar en 2 dagen na de start van m'n eerste Tour de France Randonneur sta ik weer in het Noordfranse St. Amand les Eaux, klaar om aan m'n tweede TdFR te beginnen. Met twee deelnames sta ik nog ver van recordman Patrick Plaine die, volgens de gegevens die ik vond, reeds 17 keer de Ronde reed... Ik zou het bij één deelname gehouden hebben, ware het niet dat m'n broer Koen ook van dit avontuur wilde proeven.

Met Koen, klaar om thuis van start te gaan
Normaal zou Koen vorig jaar meegereden zijn, maar een knieblessure besliste daar anders over zodat ik uiteindelijk alleen reed (uitgezonderd tijdens de eerste 2 dagen toen de Canadees J.F. een poging deed om me te volgen - zie het verslag van vorig jaar daarvoor...). Soit, m'n broer z'n blessure (hij werd geopereerd aan de knie) herstelde vlot. Hij moest een tijdje met een brace rijden en in januari 2010 besliste hij om de uitdaging aan te gaan. Met de opgedane ervaring van vorig jaar wilde ik hem vergezellen, al was het maar om hem op de soms mentale moeilijke momenten bij te staan. Het reisschema werd wel aangepast... in plaats van 22 dagen zouden we nu 24 dagen rijden. Misschien best dat hij vorig jaar gekwetst was, want hij twijfelt zelf sterk of hij het op 22 dagen zou gehaald hebben... Ons vader was meteen weer bereid om te volgen met de wagen zodat we zelf in alle luxe (zonder bagage op de fiets) konden rijden.

Koen had aan de start in St. Amand een kleine 6.000 trainingskilometers in de benen. Ikzelf had er bijna 8.000, maar dat was nog altijd een heel pak minder dan de bijna 28.000 kms die ik vorig jaar tijdens m'n recordjaar reeds gereden had toen ik aan de Ronde startte. Maar goed... het zou wel lukken zeker...?

Het is zaterdag 10 juli 2010 wanneer we rond 10u00 van m'n oprit rijden. Luc (Vrijbuiter) was ook present om ons de eerste tientallen kms uit te wuiven. Wat verder in Wetteren komen Frank (Froscarito) en Bruno (Brunov) ons ook tegemoet gereden. Samen rijden we eerst naar Geraardsbergen, vanwaar we de Dender volgen tot in Ath. Daar houden we op de middag een eerste keer halt om een terrasje te doen. Een half uurtje later is het tijd om afscheid te nemen van onze drie metgezellen en terwijl zij terug huiswaarts keren, kijken m'n broer en ik uit naar 24 dagen fietsavontuur.

Na passages door Péruwelz en de grensovergang in Bon Secours waren we om 14u20 in St. Amand les Eaux. In een Bar / Tabac kochten we postzegels die we nodig hadden om onze controlepostkaarten op te sturen. Meteen lieten we ook onze startkaart afstempelen (op te sturen met de post dus) en werd de eerste stempel in ons boekje gezet. Nu konden we officieel aan onze Tour de France Randonneur beginnen...

Die eerste rit was trouwens een opwarmertje... letterlijk en figuurlijk: amper 184 km en zeer zonnig. M'n broer z'n Polar gaf 35°C als maximumtemperatuur aan, het gemiddelde van die dag lag op 31°C. Tegen 18u00, toen we in Trélon een controlestempel gingen halen, troepten echter donkere regenwolken samen. Gelukkig was het niet ver meer naar Fourmies en arriveerden we net voor de regenbui in ons hotel. We logeerden in hetzelfde hotel waar ik vorig jaar verbleef: Hôtel La Providence.

De tweede rit was bijna een kopie van vorig jaar, op enkele kleine parcourswijzigingen na, en eindigde dus in Pont à Mousson na 234 km, ook al in hetzelfde hotel: Comfort Hotel Nancy. Het was alweer een zeer zonnige en warme dag, maar met 50 km meer in de benen dan gisteren, had ik tijdens deze rit m'n grootste drankverbruik: 8 liter. M'n drank bestond zowel uit water, cola, isostar als oasis. Ons vader zorgde trouwens voor de nodige bevoorradingen onderweg. Elke avond bekeken we de landkaarten en het parcours dat we zouden volgen. Dan werd, naargelang het weer en de geografie van het landschap, afgesproken waar hij ons zou opwachten om ons te bevoorraden. Deze afstanden varieerden meestal tussen de 50 en de 80 km. Het eten dat ik onderweg at was vrijwel altijd hetzelfde: lekkere melkbroodjes (sandwiches) met een laagje boter en wat hesp of kaas tussen. Geen energierepen, gels of andere "sportvoeding", daarvan krijg ik toch alleen maar last in m'n maag.
Place Stanislas in Nancy
Toegekomen in ons hotel bleek dat het restaurant gesloten was (het was zondagavond) en we dus geen avondmaal konden nuttigen. Geen nood: we wandelden de stad in en vonden al snel een pizzeria met airco waar het aangenaam vertoeven was en de avond rustig werd afgesloten.

En ook dag drie was vrijwel identiek aan m'n derde rit vorig jaar: van Pont à Mousson naar Ste. Marie aux Mines, goed voor 181 km en iets meer dan 2.000 hoogtemeters. Bij onze passage door Nancy werd even halt gehouden op de Place Stanislas, een prachtig mooi en groot plein (125 op 106 meter). Het ligt in het centrum van Nancy en werd in de periode 2004/2005 gedurende 10 maanden volledig gerenoveerd. Op het plein staat een standbeeld van Stanislas, de in 1737 afgezette koning van Polen, die het hertogdom Lotharingen kreeg van Lodewijk XV, z'n schoonzoon. Wanneer Stanislas stierf in 1766 viel het hertogdom weer onder de Franse kroon.

Bij het verlaten van Nancy vrezen we even in een heuse storm terecht te komen. Het begint ontzettend hard te waaien, zand en stof stuiven ons rond de oren, we kunnen ons met moeite recht houden op de fiets... Maar net zo snel als de wind was komen opzetten, is hij ook geluwd en konden we rustig verder rijden naar onze eerste Vogezencol, met name de Col du Donon (727 m). Tijdens de TdFR ben je namelijk verplicht om over 51 cols te rijden, de Col du Donon was de eerste in de rij, een rij die officieel zou afgesloten worden met de Marie Blanque in de Pyreneeën. Maar vooraleer de Donon te beklimmen hadden we al een andere col beklommen: de Col de la Chapelotte (446 m), net voorbij Badonviller. En zo zouden we nog wel enkele cols doen die niet op het verplichte lijstje staan...

Het weer was, zoals daarnet vermeld, redelijk grillig tijdens deze derde rit. Bij ons vertrek 's morgens scheen de zon volop en steeg de temperatuur vlot boven de 30°C, maar na de middag verzamelden zich steeds meer donkere, dreigende wolken boven het gebied waar we naartoe reden. De laatste 5 km naar ons hotel in Ste. Marie aux Mines, het Wistub aux Mines d'Argent, werden dan ook in de regen afgelegd. Maar na een warme douche en een lekkere maaltijd in het restaurant was dat vuile regenweer allang vergeten en keken we uit naar de volgende rit.

Die vierde rit had ik, in vergelijking met vorig jaar, een goede 40 km ingekort. Het was, met 3.822 Hm na 221 km onze eerste echte bergrit. Meteen na ons vertrek uit Ste. Marie aux Mines werd de beklimming van de Col des Bagenelles aangevat (903 m). Vanaf dan zaten we op de mooie Route des Crêtes en volgden de cols elkaar snel op: 13 cols op 85 km, waaronder Col du Bonhomme (949 m), Col de la Schlucht (1.139 m), Jungfraukopf (1.266 m) en Grand Ballon (1.343 m). Na de afdaling van de Col de Herrenfluch (855 m en laatste col van de dag) reden we gedurende +/- 50 km op een relatief vlak parcours, tussen Cernay en Delle (waar we een postkaart moesten opsturen), maar er zat nog venijn in de daaropvolgende 75 km naar Morteau waar het weer veel op en af ging. In dit lastige laatste deel van de dag staken we tevens een andere deelnemer aan de TdFR voorbij: een Bretoen met nr. 1900 die alleen (met 2 fietszakjes aan z'n voorwiel) op weg was. We maakten kennis en reden een tijdje samen, maar wat verder volgde hij een andere weg.

Eindbestemming vandaag was Morteau, gelegen aan de Doubs in Franche Comté op een boogscheut van de Zwitserse grens. Zoals elke dag reed ons vader (vanaf de laatste bevoorrading) rechtstreeks naar het op voorhand gereserveerde hotel, vandaag was dat Hôtel de la Guimbarde. Bij z'n aankomst bleek er een probleempje: men wist van geen reservatie op onze naam... Maar ik had van alle bevestigde reservaties en betaalde voorschotten een kopie genomen om, bij eventuele "problemen" als vandaag, te kunnen voorleggen. Bleek dat de receptioniste (van wie ik m'n reservatie bevestigd kreeg) intussen ontslag had genomen en m'n reservatie niet had geboekt...! Gelukkig was er, ondanks de drukte in het stadje (het was de vooravond van "le 14 juillet") blijkbaar nog plaats. Meer zelfs, we kregen 2 zeer moderne, nette en mooie kamers, zonder dat we meer hoefden te betalen. 's Avonds gingen we wat verder in het gezellig stadje nog eens goed gaan eten en zo waren we klaar om richting Alpen te rijden.

Woensdag 14 juli vandaag, Franse nationale feestdag. Net als gisteren genoten we alweer van een stralend weertje (gemiddeld 31° C), maar hadden we wel voor 80% van de rit de wind tegen. De eerste 30 km waren vlak, naast de Doubs naar Pontarlier. Daarna werd het wat heuvelachtiger, maar bleven we tot St. Laurent en Grandvaux (90 km) steeds op een hoogte tussen de 800 en 1.000 m rijden. Dan volgde een lange, aangename afdaling van +/- 20 km die ons in St. Claude (430 m) bracht. Inmiddels waren we al een tijdje in het Parc Naturel Régional du Haut Jura aan het fietsen (prachtige streek trouwens) en gingen nu onze enige Jura-col aanvatten: de Col de la Croix de la Serra (1.049 m - 2e Categorie). De afdaling van 26 km die toen volgde bracht ons weer op een hoogte van ongeveer 450 m in St. Germain de Joux. Wat daarna onder onze wielen geschoven werd, was alweer een geaccidenteerd parcours waarbij we zo goed als de Zwitserse grens een tijdje volgden en op een steenworp van Genève passeerden. De laatste 25 km van onze rit waren dan weer relatief vlak en zo bereikten we om 19u00 het Hôtel des Alpes in Bonneville.

Balans na 5 ritten: 1.049 km, 11.350 hoogtemeters, warm en zonnig weer gehad, ... Alles verliep naar wens.

Hoogteprofiel eerste Alpenrit (227 km - 5.383 Hm)
Vanaf de eerste echte Alpenrit was het echter andere koek... De komende 2 dagen zouden we 9 Alpencols bedwingen, waarvan 4 boven de 2.000 meter. Eerste in de rij was een opwarmertje: de Col de St. Jean de Sixt (956 m) met, na een passage door la Clusaz, in z'n verlengde de Col des Aravis (1.498 m - 2e Categorie). Na goed 30 km dalen reden we door Albertville, gaststad van de Olypische Winterspelen in 1992, en volgden vanaf dan een stukje de Isère tot Feissons sur Isère, gelegen aan de voet van de Col de la Madeleine (2.000 m - Buiten Categorie). De klim is ongeveer 24 km lang, maar na 10 km (bijna halfweg de klim) kan je op een vlak stuk even op adem komen. Want daarna volgt de rest van de steile (met prachtige uitzichten) beklimming. Na de top volgt logischerwijze de afdaling (bijna 20 km) naar la Chambre. En van daar gaat het gedurende 50 km steeds naar omhoog (behalve dan de korte afdaling van de Télégraphe naar Valloire) tot je op de top van de Galibier (2.647 m - Buiten Categorie) staat.

Zonder dat je het eigenlijk merkt stijg je de eerste 22 km van 470 m (la Chambre) naar 712 m (St. Michel de Maurienne), aan de voet van de Col du Télégraphe (1.570 m). Vanaf la Chambre zitten we trouwens gedurende ongeveer 65 km (tot aan de Lautaret) ook op het parcours van de "ultieme cyclosportieve": de Marmotte...!

Drie cols zaten er dus reeds op, maar het lastigste moest nog komen. Eerst de Télégraphe omhoog, waarna een 4 km lange afdaling naar Valloire volgde, en dan was het nog goed 17 km klimmen om de top van de Galibier te halen. Het was reeds 19u30 toen we eindelijk op de tweede hoogste col van onze reis stonden. De 5.383 hoogtemeters die we vandaag haalden (op ongeveer 85 klimkilometers) waren er zelfs ongeveer 1.000 meer dan de rit met meeste hoogtemeters vorig jaar... zeer tot ongenoegen van m'n broer die met deze gang van zaken absoluut niet kon lachen. Doordat ik m'n schema van vorig jaar met 2 dagen had verlengd, dacht hij dat het "goed te doen" zou zijn (gemiddelde afstand van 231 km per dag werd immers teruggebracht naar 208 km per dag). Enige verschil met deze rit in vergelijking met vorig jaar was dat ik toen uit la Clusaz vertrokken was (de St. Jean de Sixt had ik de dag voordien dus al beklommen), daar waar we nu vertrokken in Bonneville, aan de voet van de St. Jean de Sixt. Maar goed, achteraf zal hij toch content geweest zijn om zo'n prestatie te hebben neergezet! Gelukkig volgde na de Galibier één lange, vlotte afdaling van 35 km naar Briançon, waar we om 20u45 in Hôtel Vauban toekwamen. Af en toe hing na zulke late aankomst wel wat spanning in de lucht. Wij (m'n broer en ik) wilden na aankomst eerst rustig wat ontspannen en enkele gegevens van de GPS en kilometriek noteren. Daarna douchke nemen, kledij wassen en te drogen hangen. Het duurde dus soms wel een tijdje tegen dat we beiden klaar waren om te gaan eten... Ons vader had daar (soms terecht) een ander gedacht over: die wou dat we zo snel mogelijk gewassen waren om in de mate van het mogelijke op een deftig uur te gaan eten. En daar waren dus soms wat "discussies" over... Die avond in Briançon bijvoorbeeld hadden we het geluk dat we op wandelafstand van 't hotel nog een zaak vonden die ons rond 22u00 nog eten wilde klaarmaken!

Hoogteprofiel tweede Alpenrit (201 km - 5.461 Hm)
De dag daarop beloofde eigenlijk ook niet veel goeds... Het weer was weliswaar nog altijd zonnig en warm (gemiddeld 29°C vandaag), maar er zou weer heel wat moeten geklommen worden. Het begon al onmiddellijk met de Col de l'Izoard (2.361 m). Een perfecte weg en een prachtig mooie klim! Na enkele kiekjes aan het stenen monument (en het afhalen van een stempel in het winkeltje) werd de afdaling aangevat naar Guillestre. Wat verder eerst nog eens halt houden aan het monument van Coppi en Bobet en na enkele kms dalen met scherpe haarspeldbochten gaat de baan vanuit Brunissard zo goed als rechtdoor met een perfect zicht op de baan... ideale moment om wat snelheid te halen. Hier haalde ik dan ook bijna 81 km/u! Op zulke momenten is het echt kicken ("de max" zoals ze in het Gentse zeggen) en mag je niet te veel stilstaan bij de gedachte "wat als...?". Zo moest ik zelfs wat afremmen omdat er een kleine 100 m vóór mij een koppel op 't gemak de straat aan het oversteken was...

Na de afdaling naast de Guil tot Guillestre werd onze 2e col van de dag voorgeschoteld: Col de Vars (2.111 m). Ook hier alweer een prachtige oplopende weg waarbij het eerste deel van de klim ook de steilste is. Na een stukje vlak gaat de rest van de klim minder steil naar omhoog doorheen het groene landschap en langs een klein meertje. Boven moest ons boekje afgestempeld worden en namen we een korte pauze. We hadden al 41 van de 73 km geklommen en onze volgende beklimming was de Bonette. We beslisten om net voor Jausiers, aan de voet van de hoogste weg van Europa (2.802 m - Buiten Categorie), nog een bevoorrading te houden. Tijdens die stop viel m'n oog op m'n achterband en het was zeer duidelijk dat die aan vervanging toe was.

Op de Route Touristique de la Bonette
Nadat ik een nieuwe band had gestoken konden we weer verder, richting hoogste punt van de reis. Het eerste deel van de klim rijden we met veel haarspeldbochten door een eerder bosrijke omgeving. Wanneer we ons op een grotere hoogte bevinden hebben de bomen plaats gemaakt voor mooie groene weiden waar veel kleine riviertjes stroomden en grotere plassen water liggen. Hier komen ook veel mensen wandelen en een pick-nickje meepikken. Op 2.300 meter hoogte rijden we langs de ruines van een oud militair domein, le Camp des Fourches genaamd en tot 1939 door het leger gebruikt. Vanaf daar is de berg steeds minder begroeid en de laatste kms rijden we enkel nog door een donkergrijze omgeving met hier en daar nog een vlekje sneeuw. De col zelf is eigenlijk de plaats waar je over de bergkam meteen aan de afdaling (richting Nice) kan beginnen, maar je kan zowel met de wagen als met de fiets nog het "Circuit Touristique" rijden van 1.500 m rondom de Cime de la Bonette, met 2.860 m het hoogste punt van de berg. Om boven te geraken moet je wel nog even een dikke 600 meter aan 15% naar boven fietsen... Maar boven is het uitzicht op die andere Alpentoppen natuurlijk prachtig! We maakten daar trouwens kennis met enkele landgenoten, die ook met de fiets de streek aan het verkennen waren. Bleek dat ze net een hotelletje hadden overgenomen in Savines-le-Lac, gelegen aan het Lac de Serre Ponçon, en o.a. ook fietsvakanties en andere activiteiten aanbieden in de streek (voor meer info, ga naar www.hotel-leschaumettes.eu).

Wat nu volgde was een zeer lange afdaling van meer dan 50 km door het Parc National du Mercantour. In één van de haarspeldbochten tijdens die afdaling zag ik dat een klimmende fietser mijn fiets in het oog hield en hij riep me wat na... Ik stopte en die man begon onmiddellijk over de TdFR. Hij had mijn kaderplaatje opgemerkt en was zelf ook bezig aan de Ronde, in de andere richting weliswaar. We praatten wat over onze ervaringen en reden daarna elk onze eigen weg verder, hij naar de top en wij naar het dal. We volgden de Tinée en reden door St. Etienne de Tinée en Isola, en moesten in St. Sauveur sur Tinée een stempel halen. Die afdaling was goed om terug op een hoogte van nog geen 500 meter te staan. Van daar daalde het nog lichtjes gedurende 4 km alvorens aan de laatste klim van de dag te beginnen: de Col St. Martin (1.500 m), ook wel la Colmiane genoemd.

Beklimming Col St. Martin
Het was intussen ook al duidelijk geworden dat we weer dik boven de 5.000 Hm zouden zitten vandaag (op 201 km). Dat was er voor m'n broer bijna te veel aan. De gedachte om op het einde van deze dag nog 1.000 meter hoogteverschil te moeten overwinnen deed z'n humeur naar een dieptepunt zakken en hij had het dan ook zeer lastig tijdens die laatste klim. Aan opgeven heeft hij zelf nooit gedacht (en ik zou hem dat zeker uit z'n hoofd gepraat hebben) maar hij zat werkelijk diep en heeft het op karakter volgehouden! Zeer sterke houding!! Tegen 20u50 waren we eindelijk boven en toen was het nog enkele kms dalen tot het hotel, dachten we... Na 5 km kwamen we aan een splitsing en wat bleek... in plaats van verder te dalen naar St. Martin Vésubie lag het hotel in le Boréon, een soort gehucht van het dorp, en moesten we alweer 5 km klimmen... Koen zag het totaal niet meer zitten maar ik kon hem toch overtuigen om met een laatste krachtinspanning naar het hotel te rijden. Het was dan ook al goed donker aan het worden (21u30 gepasseerd) toen we ons hotel (Hôtel Cavalet) bereikten... Omdat het hotel als half-pension geboekt was kregen we, ondanks onze late verschijning aan tafel, nog een (pover) avondmaal aangeboden. Voor de prijs die we er betaalden (85,00 Euro per persoon) was ik ook echt niet tevreden over de kamer zelf: badkamer waar je nauwlijks in kon bewegen, douche die maar de helft aaneen hing, stopcontact dat loshing, ... neen, mij zien ze daar zeker nooit meer terug!

Na die 2 loodzware Alpenetappes keken nu we nu uit naar 3 "rustige" ritten waarbij we de verbinding zouden maken naar de Pyreneeën. Vanaf het hotel (dat wel zeer mooi gelegen is) startten we met een 20-km lange afdaling om dan links af te slaan en de Col de Turini (1.604 m) te beklimmen, niet ver van de Italiaanse grens. Daarna daalden we terug, door Peïra Cava (stempelcontrole) en Lucéram naar de Col de Nice (412 m). In plaats van verder te dalen naar de Franse kuststad zelf, moesten we vanaf hier westwaarts rijden, via Contes en Tourrette Levens naar de Col d'Aspremont (530 m). Het is een verbinding die zeer geaccidendeert verloopt over de uitlopers van de Alpen. Eens we over de Var gereden waren ging het verder naar Vence, waar we onze 3e postkaart verstuurden. Via de brede D 36 daalden we verder af naar de Côte d'Azur, naar Cagnes sur Mer, vanwaar we onze weg vervolgden naar Cannes. Eens buiten die mondaine badstad konden we ofwel langs de kustweg verder rijden, ofwel via de N7 door het Massif de l'Esterel. We kozen de N7 om 28 km verder in Fréjus toe te komen. Vanaf hier reden we dan wel weer verder op de kustweg om tegen 21u00 (213 km en 4.169 Hm) toe te komen in Hôtel Le Petit Prince in Ste. Maxime.

Weer een late aankomst dus, maar hier aan de kust zou het geen probleem zijn om nog laat te gaan eten. Ons vader was intussen op verkenning geweest en had gereserveerd in een Italiaans restaurant op enkele honderden meters van het hotel. Het was er druk en ons geduld werd er zeer lang op de proef gesteld...: de bediening was enorm traag, er werd een bestelling verkeerd genoteerd en bovendien moesten we een kleine 20 minuten wachten op de rekening...

Op de Place de la Liberté in Toulon
Inmiddels is het zondag 18/07 en starten we aan onze 9e rit: van Ste. Maxime naar Istres. Ook hier kiezen we voor de weg door het binnenland, de D98, in plaats van de kustweg. We rijden door een stukje Massif Des Maures en zullen vandaag ook 2 colletjes aandoen. De eerste ligt net ten noorden van Le Lavandou en Bormes les Mimosas: de Col de Gratteloup (199 m). We vervolgen onze weg langs Huyères Plage en Carqueiranne naar Toulon. Daar houden we even halt op de Place de la Liberté, waar het Monument de la Fédération het vertrek van het Vrijheidsbeeld uit Toulon naar New York uitbeeld.

We zetten verder koers naar het westen om net voor Marseille de Col de la Ginestre (328 m) te beklimmen. Daar rijden we naast de Mont St. Cyr en wat verder hebben we tijdens de afdaling een prachtig zicht over Marseille. Toen ik vorig jaar door deze Franse havenstad reed had ik op m'n GPS-route een waypoint vóór het binnenrijden van de stad gezet en een waypoint bij het uitrijden ervan. Het gevolg daarvan was dat ik door een ongure buurt reed en veel moest draaien en keren. Dit jaar was ik hierop beter voorbereid en liet m'n route via de kustweg, de oude haven en de Corniche lopen... heel wat mooier en veel meer te zien dan vorig jaar alleszins! Na Marseille ging het nog even naar omhoog, over de Chaîne de l'Estaque, waarna we in het pittoreske Martigues op stempelcontrole moesten en op de golvende D5 verder naar Istres reden.

Voor vandaag hadden we ook beslist om zonder volgwagen te rijden, ons vader kreeg een dagje "vrij"... :-) De rit was immers "maar" 200 km lang en langs de kust was er genoeg eet- en drankgelegenheid. Die drank was wel nodig want met een gemiddelde temperatuur van 32°C was het onze warmste dag tot nu toe... In dit zonnige en droge weer (met tegenwind) kapte ik trouwens vlotjes 7 liter drinken binnen vandaag.

In Istres, gelegen aan het Etang de Berre, verbleven we in hetzelfde hotel als vorig jaar: Le Mirage. Een duik in het zwembad na onze aankomst zorgde voor een meer dan aangename afkoeling en 's avonds zakten we af naar de Port des Heures Claires waar we, op terras met een mooi uitzicht over de haven en de baai, genoten van een welverdiend avondmaal.

Na een stevig ontbijtbuffet de volgende ochtend zaten we om 08u00 terug in het zadel om onze TdFR verder te zetten. Op een quasi plat parcours (goed 600 Hm op 200 km) reden we eerst naar Arles, een belangrijke stad uit het Romeinse Rijk. Omdat er tal van Romeinse overblijfselen (zoals het Amfitheater) te zien zijn in Arles, werd het centrum van de stad in 1981 aan de Werelderfgoedlijst van Unesco toegevoegd. Arles heeft ook de naam van "aan de Poort van de Camargue" te liggen omdat het op het punt ligt waar de Delta begint, de splitsing tussen de Grote en de Kleine Rhône. Naast al dit fraais is de stad ook gekend als één van de plaatsen waar de Nederlandse kunstschilder Vincent van Gogh heeft gewoond.

Maar we moesten verder en staken de Rhône over om door de Plaine de la Camargue naar Aigues Mortes te rijden, een toeristische trekpleister waar tevens ons boekje moest afgestempeld worden. Typisch aan dit stadje is dat ze volledig omwald is. Dit gebeurde tussen 1272 en 1310.

Aan de stranden tussen Sète en le Cap d'Agde
Enkele kms verderop rijden we weer naast de Middellandse Zee, door la Grande Motte. Deze moderne badplaats (het stadje is pas ontstaan begin de jaren 70) valt vooral op door z'n vele speciaal gevormde flats en door het zeer vele groen. Het is net of er een oase van rust op je neerdaalt wanneer je deze mooie stad doorkruist. Misschien kom ik hier ooit wel eens op strandvakantie...

Van dit idyllisch plekje gaat het verder langs de kust naar Sète, waar alweer moest gestempeld worden. Deze karakteristieke havenstad ligt op een wat aparte plaats: tussen het Bassin de Thau en de Middellandse Zee. Hier komt tevens de Canal de Midi (Bordeaux - Toulouse - Béziers - Sète) uit in de Zee. Wanneer we de stad verlaten, rijden we langs de kilometerslange prachtige stranden die zich tussen Sète en le Cap d'Agde bevinden. Voorbij Agde verwijderen we ons van de kust om richting Béziers te trappen, waar we in de Campanile zullen overnachten. Ook vandaag weer een warme dag gehad, met een gemiddelde van 31°C.

Balans na 10 ritten: 2.090 km, 28.911 hoogtemeters, nog steeds warm en zonnig weer gehad, we zitten nog steeds op schema en alles verloopt ook nog steeds naar wens.

Dinsdag 20 juli was alweer zo'n zonnige dag waarbij de temperaturen opliepen tot 36 à 37 graden. We hadden de wind op kop toen we uit Béziers vertrokken en naar Narbonne reden. In het centrum van Narbonne hielden we even halt bij een stukje van de Via Domitia, de eerste heirbaan (oud-Romeinse lange-afstandsweg) die in 118 vóór Christus in West-Europa (toen Gallië) werd aangelegd. Het was toen de grote verbindingsweg tussen Italië en Spanje.

Van Narbonne reden we verder zuidwaarts via de D 6009 naar Rivesaltes (net ten noorden van Perpignan) om daar onze laatste stempel van het Middellands kustgebied in ons controleboekje te laten zetten. Vanaf hier trokken we stilletjes aan het Pyreneeën-gebergte in, richting Mont Louis, gelegen op 1.613 m. We hadden er toen 88 km opzitten en de resterende 90 km zouden dus enkel nog in stijgende lijn verlopen, al merk je daar die eerste kms niet veel van.

Het beroemde Gele Treintje op de Pont Gisclard (ook wel Pont de Cassagne genoemd)
Via de N 116 reden we langs de Barrage de Vinça en Prades naar Villefranche de Conflent, een middeleeuws dorpje. Maar het is ook de "Petit Train Jaune" dat hier een toeristische trekpleister is. Het treintje bestond in 2010 exact 100 jaar en voert van tegenwoordig toeristen van Villefranche naar Bolquère, op 1.593 m het hoogst gelegen treinstation van Frankrijk. Het traject is 63 km lang en de trein haalt z'n energie uit een derde rail die geëlektrificeerd is met 850 Volt gelijkspanning. In Villefranche zaten we na 150 km op een hoogte van 433 m. Vanaf hier zou de hellingsgraad de resterende 28 km steeds groter worden.

Van het moment dat we in westelijke richting begonnen rijden (Perpignan) kregen we de wind trouwens in de rug, maar kwam er ook meer bewolking opzetten... wat uiteindelijk niet belette dat de gemiddelde temperatuur van vandaag nog 32°C bedroeg. Na een rit van 178 km (met 2.221 Hm) bereikten we om 17u30 ons hotel in Mont Louis, het Clos Cerdan.

Het was één van de vroegste aankomsten tijdens onze ronde en we hadden dan ook rustig de tijd om de fietsen eens goed na te kijken, waarbij het me opviel dat m'n achterremmen dringend moesten vervangen worden. Hier konden we dus ook mooi op tijd aan tafel en maakten m'n vader en broer na het avondmaal een korte wandeling door het oude stadscentrum. Mont Louis is trouwens ook de hoogst gelegen ommuurde stad van Frankrijk en het nationaal opleidindscentrum voor para-commando's heeft hier z'n vestingsplaats.

Rit 12 van onze ronde begon met een lekker zonnig weertje. Na een kleine 6 km waarbij het lichtjes naar omhoog ging reden we over de Col de de la Quillane (1.714 m) om daarna via Formiguères en Quérigut te dalen naar Mijanès, een kleine gemeente met nog geen 100 inwoners, aan de voet van de Col de Pailhères (2.001 m). En, volgens de gegevens van de site www.climbbybike.com is deze col met een gemiddeld stijgingspercentage van 8,2% (over bijna 11 km) best wel een pittige klim (Alpe d'Huez haalt bvb "maar" 8,1%). Het is dan ook niet verwonderlijk dat dit een klim Buiten Categorie is...

De klim loopt eerst al zigzaggend enkele kilometers door het Forêt des Hares waarna er een wat rechter stuk volgt. Nog wat verder krijgen we een prachtige reeks steile haarspeldbochten die kort op elkaar volgen. Het gaat hier over iets meer dan één kilometer aan 10,2% omhoog. Er zijn ook veel aanmoedigingen op de baan geschilderd want die andere Tour de France is hier 2 dagen voor ons gepasseerd. Eens voorbij de haarspeldbochten zitten we blijkbaar boven de bomengrens want vanaf nu heb je een ongehinderd zicht van waar je naartoe fietst! Soms is het wel opletten hoe het loslopend vee zich op de baan gedraagt. Zo zag ik enkele renners achter mij die voet aan grond moesten zetten omdat de koeien niet van de baan wilden... Grappig om te zien toch... Op de top zelf staat een refuge, waar mensen dus kunnen schuilen in geval van noodweer.

Daarna volgt een afdaling van 18 km naar Ax les Thermes waar we even halt houden voor een bevoorrading. Die afdaling wordt dan verder gezet tot we in Tarascon sur Ariège aankomen. Vanaf hier mogen we weer bergop, de top van de Col de Port (1.249 m) tegemoet.

In de dikke mist op de Col de Port
Intussen was al duidelijk geworden dat het weer aan het keren was. De zon verdween achter een dik wolkendek en het werd gevoelig frisser (gemiddelde van die dag: 20°C). Halfweg de klim van de Col de Port waren we in dikke, natte mist aan het fietsen. We zagen amper 50 meter voor ons uit... Het regende niet, maar de mist zorgde er wel voor dat we nat werden! Na een korte fotostop was het dus geen slecht gedacht om onze tocht meteen in dalende lijn verder te zetten naar St. Girons.

Vanaf hier begint stilletjes aan de klim naar de Col du Portet d'Aspet (1.069 m - 2e categorie), zeer geleidelijk aan want de steilste stukken (die eigenlijk de moeite zijn) presenteren zich pas op ongeveer 2,5 km van de top. Maar zover zouden we niet rijden vandaag... ons gereserveerde hotelletje (Auberge de l'Isard) lag immers in St. Lary, op 6 km van de Portet d'Aspet.

Een spandoek langs de kant van de weg verwittigde ons intussen ook dat in dit gebied wilde beren leven. We fietsen inderdaad door Le Pays de l'Ours, een regio in de Centrale Pyreneeën waar men het berenbestand wil proberen in stand houden. Er woedt blijkbaar een hevige strijd tussen voor- en tegenstanders om de bestaande berenpopulatie te redden en / of uit te breiden. Op de weg zien we veel slogans "Non à l'Ours - Mort à l'Ours - ..." geschilderd, terwijl in ons hotel foldertjes liggen met een uitleg waarom de beren moeten blijven bestaan in de Pyreneeën...

Onze aankomst in St. Lary was blijkbaar aangekondigd: bij het binnenrijden van het stadje hing namelijk een grote gele spandoek met het opschrift "Vive le Tour de France"... :-)) Leuke verwelkoming alleszins! Het hotelletje waar we logeerden was eigenlijk ook een Bar / Tabac, krantenwinkel, restaurant, ... kortom het was alles in één. Maar wel zeer proper en gezellig, zeer vriendelijke bediening en lekker eten.

We zijn intussen ook al halfweg ons rittenschema: 12 ritten zitten er op... 2.443 km en 33.816 hoogtemeters werden daarin overwonnen! Nog 12 ritten te gaan.

En dan was er donderdag 22 juli... een datum waarvan ik op voorhand eigenlijk wist dat de rit misschien niet zou verlopen zoals gepland (St. Lary - Lourdes, 181 km, 4.145 Hm). Bij de voorbereiding van m'n rittenschema had ik natuurlijk rekening gehouden met het parcours van de Tour de France van de profs, maar blijkbaar niet goed genoeg. Zo wist ik dat we de Alpen pas zouden doorkruisen 2 à 3 dagen nadat het profpeloton er gepasseerd was en dat we ze in de Pyreneeën ook nipt zouden vermijden. Maar de aankomst van de profs op de Col du Tourmalet op 22 juli was blijkbaar aan m'n aandacht ontsnapt... Dat we elkaar daar zouden kruisen besefte ik pas goed tijdens de week van ons vertrek, toen al onze overnachtingsplaatsen al geboekt waren. De Tour zou de Tourmalet beklimmen vanaf de westkant (Luz St. Sauveur), wij kwamen van de oostkant (Ste. Marie de Campan)...

Uit ervaring (tijdens m'n fietsreis naar Venetië in 2008 reed ik ook een goede 20 km op het parcours van de profs die dag) wist ik dat de baan enkele uren voor de passage van het peloton afgesloten wordt voor alle verkeer. Met de fiets mocht ik wel verder rijden, maar moest wel verplicht aan de kant gaan staan wanneer de Tourkaravaan passeerde. Nu wou ik dus hetzelfde proberen...

Daarom vertrokken we reeds om 05u15 uit St. Lary. Bedoeling was immers om ten laatste tegen 14u00 op de Col du Tourmalet (2.115 m - buiten categorie) te staan, daar een stempel in ons boekje te laten zetten (Tourmalet is één van de 60 verplichte controleplaatsen) en dan verder te rijden naar eindbestemming Lourdes. Wanneer de Tourkaravaan passeerde zouden we dan wel aan de kant gaan staan en naar de koers kijken...

Hoogteprofiel St. Lary - Lourdes (181 km - 4.145 Hm)
Toen we vetrokken was het aan het regenen, misschien een voorteken dat m'n plannetje niet zou lukken...? Het was ook nog donker en ondanks die erbarmelijke omstandigheden moesten we toch aan de beklimming van de Portet d'Aspet beginnen. Een niet te onderschatten onderneming in het donker (we hadden weliswaar onze lichtjes gemonteerd) en de regen! De beklimming viel eigenlijk nog mee (we zaten nog fris hé...) maar de eerste 4 km van de steile afdaling (tussen 9 en 13%) werd in deze gevaarlijke omstandigheden toch wel voorzichtig aangepakt. Even stopten we aan het monument van Fabio Casartelli, waar in de gegeven situatie niet veel te zien was...

We reden verder over de Col de Buret (599 m), de Col du Bech (715 m) en de Col des Ares (797 m - 2e categorie) naar Bagnères de Luchon. Vanaf hier stonden nog drie, toch wel zwaardere cols, op het programma.

De eerste in het rijtje was de Col de Peyresourde (1.569 m - 1e categorie). Het was nog steeds aan het regenen en het zag er niet naar uit dat dit snel zou veranderen. Even stoppen en wachten tot het gedaan was met regenen was dus geen optie... Neen, we moesten dit gewoon ondergaan! De klim verliep redelijk vlot en boven hielden we zelfs geen halt, maar werd de afdaling naar Arreau direct aangevat.

In Arreau stonden we aan de voet van de Col d'Aspin (1.490 m - 1e categorie), klaar om de 12 kilometer lange klim aan 6,5% te trotseren in dit barslechte weer. Van de mooie uitzichten die je hier anders hebt tijdens deze klim was nu niet veel te zien natuurlijk. Al moet ik toegeven dat, eens we boven het natte en mistige wolkendek zaten, het eens "iets anders" was... De wolken die tussen de bergen hingen waren nog mooi om zien. Rond 12u15 waren we boven op de col, mooi op schema dus!

De westelijke afdaling van de Col d'Aspin bracht ons rond 12u45 in Ste. Marie de Campan. In het centrum sloegen we linksaf om aan de Col du Tourmalet te beginnen. De eerste 5 km gaat het "lichtjes" omhoog, maar vanaf dan ligt het stijgingspercentage de volgende 12 km steeds tussen 8 en 10%, met een gemiddelde van 8,6%!!

Met Johan Museeuw in La Mongie
Ondanks het natte weer waren er veel fietsers op de baan, zowel klimmers als dalers! Op een bepaald moment stak ons een karavaan busjes van gendarmerie en CRS (Compagnies Républicaines de Sécurité - een Frans politiekorps) voorbij, zeker een dertigtal! Président Sarkozy zou immers present zijn bij de aankomst van de profs, en daarvoor werden alle veiligheidsmaatregelen getroffen...!

Net vóór La Mongie reden we op het steilste stuk (10%) van de beklimming en was de mist zodanig dik dat je amper 20 m voor je uit zag! Bij onze aankomst (iets voor 14u00, zoals voorzien) in het centrum van dit skidorp was het nog aan het regenen, maar even later hield die op en kwam plots de zon (die we vandaag nog niet gezien hadden) te voorschijn.

Wat verder stonden enkele politieagenten die alle fietsers aanmaanden om af te stappen. Vanaf hier moesten we met de fiets aan de hand verder. Toen we dan maar te voet verder stapten kwamen de ploegbussen aangereden. Zij parkeerden zich wat verder op grote parkings. Intussen waren we toch weer op de fiets gestapt en reden op 't gemakje voort, maar niet voor ver. Op de enige weg die naar de col leidt (net buiten het dorp) versperde een ander ploegje agenten de weg volledig. Te voet mochten we verder, maar niet met de fiets... die moest hier achterblijven! Die acht km te voet (heen en terug) zagen we eigenlijk wel zitten, ware het niet dat de agenten ons ook meldden dat het soevenirwinkeltje en de Bar / Restaurant, die op de col liggen, beiden gesloten waren. We konden er dus ook geen stempel in ons boekje laten zetten. Enige vervangbare optie was dan maar een stempel uit La Mongie, en hopen dat de mensen die onze boekjes moeten homologeren uit m'n begeleidende brief begrijpen dat het onmogelijk was om die dag een stempel op de Col du Tourmalet te halen...

M'n plan om over de col te rijden en in de afdaling naar Argèles Gazost de Tour tegen te komen en ernaar te kijken ging dus niet door... we moesten onverrichter zake op onze stappen terugkeren en terug afdalen naar Ste. Marie de Campan, terug de mist en de regen in (met een gemiddelde temperatuur van amper 13°C was dit trouwens onze koudste dag)! De doorgang van de col zou weliswaar worden opengesteld nadat alles aan de aankomstlijn was afgebroken, maar dat zou zeker niet vóór 21u00 zijn en zolang konden we niet wachten... onze dagbestemming lag immers in het bedevaartsoord Lourdes, 50 km verder, waar we verbleven in Hôtel Résidence Acacia.

Wie Lourdes zegt, denkt natuurlijk meteen aan de verschijningen van de Heilige Maagd Maria en wonderbaarlijke genezingen. Na het avondmaal gingen we dan ook, met ons vader als gids, een wandeling maken door het "Heiligdom van Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes". Hier komen jaarlijks circa 6 miljoen pelgrims uit de hele wereld om te bidden.

Beeltenis van Lucien Buysse, winnaar van de Ronde in 1926
De dag nadien reden we naar Bayonne (219 km - 4.498 Hm) en beklommen we de drie laatste van de 51 verplichte cols uit de TdFR. Na de start uit Lourdes en een passage door Argèles Gazost beklommen we de Col du Soulor (1.474 m - 1e categorie). Daarna volgde een korte afdaling van +/- 2 km en dan de resterende klim van 8 km naar de top van de Col d'Aubisque (1.709 m - buiten categorie). Hier staat sinds kort (7 juni 2010) ook een beeltenis van Lucien Buysse, geschonken door mecenas en Deinzenaar Marnix Tijtgat (bekijk het filmpje). Lucien Buysse was namelijk een Belgisch beroepswielrenner (van 1913 tot 1933) die de langste Tour ooit uit de geschiedenis won in 1926. Deze Tour was 5.745 km lang en werd gereden in 17 etappes, een gemiddelde van 338 km per rit dus... Ongelofelijke tijden waren dat...!

Van de Aubisque ging het verder naar Bielle van waar we onze laatste col (dachten we) zouden beklimmen, de Col de Marie Blanque (1.035 m - 1e categorie). Na de top, tijdens de eerste 4 kms in de afdaling naar Escot, varieren de percentages tussen 10 en 11%, ideale moment om de remmen nog eens los te laten. Hoewel de baan nooit lang rechtdoor loopt haalde ik hier toch ook vlot de 75 km/u... Eens in Escot volgden we de weg naar Tardets Sorholus, waar we onze 4e postkaart dienden op te sturen. Hier bevonden we ons op een hoogte van +/- 250 meter, en in plaats van dezelfde route als vorig jaar te volgen (via St. Palais naar Hasparren), wou ik nu eens langs Mendive naar St. Jean Pied de Port fietsen.

Wat ik op de kaart echter niet goed bekeken had, was dat we hiervoor terug naar een hoogte van meer dan 1.000 m moesten klimmen... Via de D117 beklommen we eerst de Col d'Arangaitz (ook Lecharria genoemd - 832 m), gevolgd door de Col d'Ibarburia (966 m), de Col Inharpu (1.029 m), de Col d'Apanice (1.044 m) en tenslotte de Col de Landerre (1.072 m). Die extra klim (waar we dus niet op gerekend hadden) was een domper op m'n broer z'n humeur, maar de prachtige uitzichten over de ongerepte natuur die we ervoor terugkregen nemen ze ons alvast niet meer af...

Vanaf St. Jean Pied de Port (vooral bekend als etappeplaats van de wandelroute naar Santiago de Compostella) reden we naar Cambo les Bains waar we eerst ons boekje moesten laten afstempelen alvorens verder richting Bayonne te bollen. Daar overnachtten we in het Campanile Bayonne. Eigenlijk best wel een aan te raden hotelketen, de Campanile. De prijzen zijn schappelijk, je kan er 's avonds op restaurant eten, en aan het ontbijtbuffet kom je niks te kort!

Ondanks het droog en zonnig was vandaag (met tegenwind), was het met een gemiddelde van 19°C de tweede koudste dag van de reis. Vanaf nu zouden we trouwens de 25° (gemiddeld) niet meer bereiken! Dat was tijdens de eerste 11 dagen wel even anders!

Vanaf de hoofdstad van het Franse Baskenland reden we op zaterdag 24 juli verder door de Landes en de Gironde naar Le Porge (192 km - 696 Hm). Via Vieux Boucau, Mimizan en Andernos (3 controleplaatsen) bereikten we om 17u30 Hôtel du Porge. Omdat ik vorig jaar tevreden was over dit hotel (ook met zwembad) en het eten, wilde ik hier terug overnachten. We hadden wel pech dat het restaurant reeds volzet was, maar geen nood... op wandelafstand was nog een leuk restaurantje, gespecialiseerd in zalmgerechten.

Balans na 15 ritten: 3.035 km en 43.155 hoogtemeters. Het zwaarste qua beklimmingen is nu achter de rug, hoewel de passages door Bretagne en Normandië zeker niet te onderschatten zijn. Er zijn weliswaar geen cols meer, maar het parcours loopt toch steeds "op en af"...

Stempel in boekje laten zetten (Hôtel Arundel - Les Sables d'Olonne)
We vertrokken reeds vroeg uit Le Porge, om 06u45. Ontbijt namen we op de kamer met eigen broodjes en beleg. Dit werd immers onze langste rit van de reis: 248 km (737 Hm). Het was nog bewolkt en fris 's morgens, maar na de middag doorbrak de zon wel het wolkendek. De tegenwind moesten we er maar bijpakken... Eerste opdracht van de dag was om naar Pointe de Grave te rijden, waar we met de overzet de Gironde overvoeren naar Royan (stempelcontrole).

Nu zaten we in de Charente-Maritime en vervolgden onze weg door Rochefort en Aigrefeuille d'Aunis, waar alweer moest gestempeld worden. Wat verder reden we door het Parc Régional du Marais et Vendée, wat ons dus ook in het departement Vendée bracht. Na een laatste stempelcontrole in Talmont St. Hilaire bereikten we om 18u30 ons hotel (Arundel) in de kuststad Les Sables d'Olonne. Na een deugddoende douche gingen we 's avonds lekker gaan eten in een leuk restaurantje aan de haven (Le Bistrot Gourmand). Met een zeer vlotte en vriendelijke bediening was dit vast één van de aangenaamste plaatsen waar we aten.

De reis werd op maandag 26 juli noordwaarts verder gezet, naar Challans en Bourgneuf en Retz (controle). Daarvoor fietsten we een stukje door het Marais Breton. Niet veel later staken we de Loire over, op de Pont de St. Nazaire. Dit is tot op heden de langste brug in Frankrijk: 3.356 meter lang. Maar St. Nazaire is vooral bekend om z'n scheepsbouw (Queen Mary 2) en luchtvaartindustrie (Airbus). Via Herbignac en Muzillac reden we naar Vannes, gelegen aan de Golfe du Morbihan. Na een laatste, korte, bevoorrading aldaar was het nog amper 25 km rijden naar Auray, waar we in Hôtel du Loch verbleven. De rit was 212 km lang en we hadden 1.220 hoogtemeters overwonnen volgens de GPS.

Van Auray trokken we de volgende dag naar Brest, goed voor 231 km en 2.715 Hm. 's Morgens was het nog mistig en bewolkt, maar zoals de laatste dagen het geval was, maakten deze in de loop van de voormiddag plaats voor een heerlijk zonnetje.

We fietsten door Hennebont en Quimperlé naar Fouesnant. Dat was dan al in het departement Finistère (fin des terres). Daar stonden we plots aan een helling die zowaar 15% bedroeg, niks onoverkomelijk natuurlijk. Nog wat verder hadden we, ter hoogte van Bénodet, een mooi zicht over een typisch Bretoens haventje: de bootjes lagen allen mooi op een rijtje, 3 à 4 rijen breed... In Pont l'Abbé (het zuid-westen van Bretagne) werd een stempel gehaald, wat we 34 km meer ten noorden, in Douarnenez, ook nog eens moesten doen. Daar moesten we bovendien onze 5e postkaart opsturen. Bij het buitenrijden van de stad hadden we ook een prachtig zicht op de Baie de Douarnenez.

Onderweg viel ook de typische kerkenbouw van Bretagne op, met die smalle, spitsige torens... heel karakteristiek allemaal. Tijdens onze laatste bevoorrading van de dag, even voor Plomodiern, was nu ook m'n voorband aan vervanging toe, na +/- 3.700 km deze reis. Ik was immers vertrokken met de banden die reeds op de fiets zaten (had geen nieuwe gestoken voor de TdFR), waardoor ze dus al voor een deel "versleten" waren. Na de bandenwissel trokken we een stukje door het Parc Régional d'Armorique en via le Faou en Daoulas bereikten we om 20u10 Brest. Daar verbleven we, net als vorig jaar, in het Inter Hôtel Center.

Hartelijk weerzien in le Pont Losquet
De rit van woensdag 28 juli leidde ons langs de noordkust van Bretagne naar St. Brieuc (208 km en 2.095 Hm). We moesten evenwel eerst een verplichte stempelpassage doen in Ploudalmézeau. Daarna konden we verder westwaarts over het geaccidenteerde parcours van Bretagne. Na controle in St. Pol de Léon reden we naar Morlaix, Plestin les Grèves en Lannion. De volgende controleplaats was dezelfde als vorig jaar: in een baanrestaurantje even voor Tréguier: le Pont Losquet. De eigenaar moest even nadenken, maar herinnerde zich dan toch dat ik daar vorig jaar ook langs geweest was. Hij vond het zeer tof om me terug te zien en vermoedelijk hangen onze foto's (die we hem opstuurden) nu aan z'n prikbord in z'n Bar / Restaurant...

Van le Pont Losquet reden we nu via Pontrieux (een klein pittoresk dorpje in Côtes d'Armor) naar Lanvollon en zo verder naar Plérin, nabij St. Brieuc, waar we overnachtten in het hotel Au Chêne Vert en van een aangenaam verblijf genoten.

De volgende ochtend was de start minder aangenaam... er viel lichte motregen uit de lucht. Gelukkig was het buitje snel over en kon ons regenvestje terug weggestopt worden. Door de mooie Bretoense landschappen reden we naar Lamballe en Plancoët. Via Ploubalay bereikten we rond de middag de Barrage de la Rance, verbindingsweg tussen Dinard en St. Malo. De volgende tussenstop in Cancale bood ons dan weer een prachtig uitzicht over de Baie de Mont St. Michel, met in de verte het wereldberoemde monument.

We volgden eerst een stukje de kustroute en reden daarna door de polders aan de Mont St. Michel. Het was prachtig weer en het monument zelf is telkens toch een indrukwekkende verschijning. Ons vader had dan ook (voor het eerst) een mooi pick-nick plekje gevonden dat volledig aan onze "eisen" voldeed: rustig gelegen, in de schaduw, met een bankje en een mooi uitzicht...! Bij alle vorige bevoorradingsposten was er telkens wel iets dat niet klopte... :-)

Na de pauze met zicht op dit Unesco-monument was het tijd om verder te rijden naar Avranches, een gekende naam in de geschiedenis van W.O. II. Van daar ging het in quasi rechte lijn naar Coutances waar we na 198 km en 1.680 Hm om 18u45 arriveerden. Het Hôtel la Pocatière was voorzien met een mooi zonnig terras waar we eerst en vooral gebruik van maakten om een goed smakende Leffe te drinken.

Balans na 20 ritten: 4.132 km en 51.602 hoogtemeters. Het einde is nabij...

De start van rit 21 werd om 08u05 aangevat... het zou met 242 km (1.711 Hm) de tweede langste van onze rondrit van Frankrijk worden. In dit deel van Normandië valt eigenlijk niet zo veel te zien, al is het er wel mooi om te fietsen... Van Coutances moesten we eerst naar Barneville Carteret (westkust van Normandië) een stempel halen en reden dan langs Bricquebec tot in het noorden van Normandie (Cherbourg). Daarna keerden we langs de oostkant van het schiereiland Péninsule du Cotentin (dit deel van Normandië is zo genoemd naar de Romeinse keizer Constantius), via Montebourg, terug naar het zuiden, naar Carentan.

Na onze passage door Grandcamp Maisy (controle) worden we de rest van de rit herinnerd aan het oorlogsverleden van deze Laag-Normandische kust. We rijden even naar Pointe du Hoc waar de kraters nog liggen van de bombardementen op de duitsers, we rijden op een boogscheut van de invasiestranden (Utah, Omaha, Gold, Juno en Sword Beach), we passeren talrijke grote en kleine oorlogsmusea, overal staan grote gedenktekens ter ere van de overleden soldaten, overal hangen vlaggen van de geallieerde troepen uit, ... Het blijft indrukwekkend om hier rond te fietsen!

Pegasus Bridge
Ter hoogte van Arromanches les Bains kan je zelfs nog de overblijfselen van één van de twee Mulberryhavens zien... Mulberry was de codenaam voor een tweetal kunstmatige havens (Mulberry A en Mulberry B) die onmiddellijk na de landingen bij Normandië op 6 juni 1944 werden aangelegd. Mulberry A werd in de Amerikaanse sector bij Saint-Laurent-sur-Mer (Omaha Beach) aangelegd. Mulberry B in de Britse sector bij Arromanches (Gold Beach).

We blijven de kust verder volgen en arriveren om 19u35 in Ouistreham, waar we in Hôtel du Phare verblijven. Het hotel ligt aan het Kanaal van Caen, een kanaal dat Caen verbindt met het grote Kanaal (de Zeestraat tussen Engeland en Frankrijk).

Wanneer we er de volgende ochtend vertrekken, volgen we eerst het kleine kanaal naar Caen gedurende enkele kms, tot we aan Pégasus Bridge zijn, in Bénouville (stempelcontrole). De brug, ook wel bekend als de Bénouville-brug, was een van de belangrijke in te nemen doelen door de Britse zesde luchtlandingsdivisie tijdens de Landingen in Normandië. De brug kreeg de naam Pegasus omdat de Britse luchtlandingstroepen het vliegende paard Pegasus als schouderembleem hadden. In 1993 is de originele brug in zijn geheel vervangen door een grotere modernere brug. Deze nieuwe brug heeft echter wel het ontwerp van de oude brug. De oude brug was te smal en niet stevig genoeg meer voor zwaar verkeer.

De rit ging verder langs Cabourg, Houlgate en Deauville naar Honfleur (stempelcontrole). Deze havengemeente ligt aan de zuidelijke rand van de Seine, tegenover Le Havre en is onder andere gekend voor haar oude schilderachtige haven. Maar waarschijnlijk nog bekender is de Pont de Normandie die wat verder ligt. Deze tuibrug, met 2.143 meter één van de langste in zijn soort in Europa, overspant de Seine en verbindt zo de havenstad Le Havre met Honfleur. Ik reed er tijdens verscheidene fietsvakanties al een paar keer over en het blijft toch wel een indrukwekkend bouwwerk...!

Met de GPS reden we feilloos door Le Havre en konden zo verder noordwaarts, naar Etretat (stempelcontrole). Vervolgens reden we naar Fécamp, St. Valéry-en-Caux (controle) en bereikten na 189 km en 1.530 Hm Rouxmesnil Bouteilles, nabij Dieppe. We zaten er in het aangename Hôtel l'Eolienne gelogeerd. Ook hier alweer (zoals op de meeste plaatsen) goed gegeten en gedronken!

Materiaalpech: kettingbreuk
Toen we op zondag 1 augustus om 8u25 vertrokken kondigde zich een mooie dag aan: het zonnetje scheen en we zouden de wind hoofdzakelijk in de rug hebben. Maar we waren nog geen 4 km verder of ik had m'n eerste serieuze materiaalpech deze reis... een kettingbreuk! Wie me kent weet dat ik meestal op een redelijk groot verzet rijd, zo ook bij het verlaten van Etran waar ik een helling van tegen de 20% op m'n 39*23 wou beklimmen. We waren nog niet halfweg toen ik plots een klein "tikje" hoorde en ineens in het niets aan het trappen was... Ik geraakte net op tijd uit m'n klikpedalen en kon zo voet aan grond zetten zonder omver te vallen. En daar lag ze dan, één van de belangrijkste onderdelen van de fiets: de ketting. Ze had het begeven na 4.567 km...

Gelukkig had ik alle mogelijke gerief mee om zulke defecten te herstellen, maar dat gerief lag nu wel in de wagen... M'n broer daarentegen had wel een kettingpons in z'n zadeltasje zitten! Ik haalde 2 schakels uit m'n ketting en zette ze weer aaneen, niet goed wetende of m'n herstelling het wel zou houden... Om zo weinig mogelijk kracht op m'n ketting uit te oefenen reed ik de rest van de beklimming op m'n kleinste verzet: 39*28, ik was er echt niet meer gerust in!

Door de pech hadden we algauw een klein half uurtje tijd verloren, maar met de wind in het voordeel zouden we deze achterstand wel wegwerken. We reden verder naar Eu en St. Valéry sur Somme (controle), een leuk toeristisch stadje aan de monding van het Canal de la Somme. Vervolgens werd de noordelijke richting aangehouden en reden we door Etaples (nabij Le Touquet) naar Boulogne sur Mer. In Wissant (tussen Cap Griz Nez en Cap Blanc Nez) moesten we nog een stempel laten zetten in ons boekje en daarna reden we terug landinwaarts, naar het oosten.

Uiteindelijk was het 19u05 toen we in Bergues (Sint Winoksbergen) arriveerden na 224 km. Hier wisten we ook dat niemand ons zou verwelkomen aan de receptie van Hôtel au Tonnelier. We kregen op voorhand de code om binnen te komen en de sleutel van onze kamer lag klaar aan de desk van de receptie. Later die avond gingen we wat verder in het centrum van dit middeleeuws stadje voor het laatst tijdens onze reis samen gaan eten.

Hoewel dit een Franse stad is, blijft het eigenaardig om hier zoveel Vlaamse Leeuwen te zien wapperen. Dat heeft natuurlijk alles te maken met de geschiendenis van deze in Frans-Vlaanderen gelegen stad...

Maandag 2 augustus 2010... de laatste etappe van ons wieleravontuur startte die ochtend om 8u25. Eerst moesten we nog een postkaart opsturen uit Bergues en daarna reden we een hele tijd op enkele kms van de Belgische grens. Met passages door steden / dorpen als Wormhout, Winnezeele, Steenvoorde en Strazeele kan je ook niks anders vermoeden natuurlijk. Een voorlaatste stempel moesten we nog in ons boekje laten zetten in Carvin (ten zuiden van Lille) en dan konden we via Orchies de laatste kms van onze TdFR afmalen naar St. Amand les Eaux.

Met onze fiere ouders en de nodige champagne in St. Amand les Eaux
Daar aangekomen werden we verwelkomd door ons moeder en nonkel César, oudste broer van m'n vader. We rustten even uit op een terrasje aan de markt, gingen onze aankomststempel halen in 't café en staken onze aankomstkaart in de postbus. Ons fietsavontuur zat er nu officieel op!!

Maar we moesten natuurlijk nog thuis geraken, dus stond ons nog een rit van +/- 90 km te wachten. Vooraleer hieraan te beginnen kraakten we eerst nog een fles champagne en werd de rest van de fles netjes verdeeld in onze drinkbussen...

Het was ongeveer 14u15 wanneer we eindelijk huiswaarts vertrokken. Er waren niet onmiddellijk dreigende regenwolken te bespeuren, dus beslisten we om geen regenvestje mee te nemen op de fiets... Maar we waren nog maar net weg of de hemel begon er al heel anders uit te zien! Nog voor we in Doornik waren barstte dan ook een hevig onweer los, begeleid door donder en bliksem! Gelukkig vonden we snel een bushokje waar we een 20-tal minuutjes konden schuilen tegen de hevige regenval. Met onze natte kleren stonden we daar dan... zonder regenvestje in de kou! Dorst hadden we alleszins niet want de bus was nog gedeeltelijk gevuld met champagne...

Toch konden we daar niet blijven staan en beslisten dan maar, wanneer de ergste regen over was, om voort te rijden. Van Doornik ging het naar Ronse en omdat het maar bleef regenen (en we het steeds kouder kregen) gingen we in Ronse op zoek naar een fietsenwinkel, om een regenvestje aan te schaffen. Het was bij Vélo Maes dat we een gele fluo-regenvest kochten van Pro en het daarna wat aangenamer werd om verder te fietsen.

De weg die we naar huis volgden passeerde ook toevallig langs de B & B Le Pavé van Angelique Segaert, de vrouw van ex-wielerkampioen Peter Van Petegem. En wie stond daar net toevallig aan de poort van de inkom...? Juist ja, de Zwarte van Brakel himself! Als je als wielertoerist met een tweevoudig winnaar van de Ronde van Vlaanderen en winnaar van Parijs - Roubaix op de foto kan moet je niet twijfelen natuurlijk, dus ging ik in de remmen en begon een babbeltje met de sympathieke man.

Na de foto reden we voort en even later stopte het eindelijk met regenen. Via Zottegem, St. Lievens Houtem en Massemen werd Wetteren bereikt waar onze wegen scheidden. M'n broer reed naar huis naar Kalken en ik sloeg af naar Schellebelle. En wat verder (ik had de ganse reis dus nog geen platte band gehad), op amper 3 km van mijn deur voel ik ineens m'n achterband leeglopen... Wat kan je daaraan doen hé...? Ik had niet veel zin om een nieuwe band te steken, dus probeerde ik m'n band op te pompen, maar het gat was te groot en 10 meter verder stond ik weer volledig plat... Dan toch maar m'n binnenband vervangen en om 19u05, na 208 km en 1.167 Hm vandaag, was ik terug thuis.

Dat was het dan... m'n tweede Tour de France Randonneur in evenveel jaren zat erop! Hoewel deze editie 2 dagen langer duurde dan vorig jaar, had ik toch de indruk dat ik sneller thuis was deze keer. Ik herinner me dat de laatste dagen vorig jaar vooral mentaal wat lastiger waren. Maar nu, dank zij het gezelschap van m'n broer, had ik daar geen last van!

De Tour de France Randonneur is een prachtige uitdaging voor iemand die eens wat anders wil dan de wekelijkse ritjes met de club. Het is een aanrader voor iemand die de kans krijgt dit te realiseren..., niet twijfelen maar doen!! Ik ben alvast van plan om hem ooit nog eens te rijden, maar dan alleen, met de bagage op de fiets.